De Kikker
Tussen Amsterdam en Tongeren belandde ik niet in een stad, maar op een camping bij Rotterdam. Het begon met een telefoontje: de campingbaas lag al maanden in het ziekenhuis en iemand moest het overnemen. “Vier, vijf maanden,” zei mijn vriend. “Jij kunt toch overal schrijven en praten?” Voor ik het wist stond ik er.
Een Amsterdammer die ineens de slagbomen van een camping bediende.
Zo geschiedde.
Een Amsterdammer op een camping bij Rotterdam. Dat was op zichzelf al een extra uitdaging.
Bij mijn start kreeg ik een dik boek mee waarin alle regels van de camping stonden. Ik heb het nooit gelezen. Niet omdat ik regels niet belangrijk vond, maar omdat ik heel goed begreep waarvoor mensen naar een camping kwamen. Voor een weekend, een week, even weg van thuis. En thuis hadden ze al genoeg regels.
Ik vertrouwde liever op de redelijkheid en het fatsoen van mensen.
“Mag dit?”
“Tuurlijk.”
Het enige wat ik eigenlijk zei als mensen vertrokken:
“Als u weggaat, laat de tent dan maar staan.”
Opmerkelijk was hoe mensen met die vrijheid omgingen.
“Hoe laat moeten we morgen weg?”
“Maakt mij weinig uit. Als u het maar netjes achterlaat.”
Ik ben in die maanden eigenlijk nooit teleurgesteld.
De camping lag aan de Olympische roeibaan. Daardoor kwamen er ook veel studenten. En studenten brengen, zoals ik ontdekte, hun eigen verhalen mee.
Op een ochtend stond er een tent voor zes jongens. Even later kwamen er drie jongens en drie meisjes uit.
Ik heb niets gevraagd.
Sommige verhalen hoef je niet helemaal te kennen om ze te begrijpen.
Die camping werd, net als later PerronP, een soort schatkamer voor mij. Mensen kwamen en gingen, vertelden dingen, maakten iets mee en lieten soms zonder het te weten een klein verhaal bij mij achter. Sommige verhalen verdwijnen. Andere blijven.
Ik moest eraan denken toen iemand, een schoonheid, laatst begon over een kikker.
Ik vertelde haar over die ochtend waarop een paar jonge, sterke Olympische roeiers bij mij kwamen vertellen dat er een kikker in hun tent zat.
Je zou verwachten dat zulke kerels een kikker gewoon naar buiten zouden zetten.
Maar nee.
Ze waren bezorgd.
“Hij beweegt bijna niet.”
Een beetje water misschien?
“Leg hem daar maar neer.”
“Zou hij het redden?”
Daar stonden ze dan. Krachtige jongens, gewend om alles uit hun lichaam te halen, zich druk makend om een klein, kwetsbaar dier.
Twee uur lang hielden ze zich ermee bezig.
Water. Rust. Nog eens kijken. Voorzichtig aanraken.
En ja.
De kikker heeft het gered.
Misschien heb ik daar geleerd wat je nergens in een handboek vindt.
Dat mensen menselijk worden zodra je ze niet kleiner maakt dan ze zijn.
Geen dik boek met regels.
Geen lijst met verboden en geboden.
Alleen vertrouwen.
En soms een beetje water voor een kikker.
En misschien is dat alles wat een plek nodig heeft om echt menselijk te zijn.
De pure mens
De mens wordt gevormd door wat hij meemaakt. Door liefde en verlies, door verwachtingen, teleurstellingen en de wereld waarin hij opgroeit. We leren ons aan te passen aan wat van ons wordt verwacht.
Maar sommige mensen blijven puur.
Vaak zijn het juist de mensen die buiten de standaard vallen. Die niet helemaal passen in de vakjes die anderen voor hen hebben bedacht. Ze denken anders, voelen anders, kijken anders naar de wereld.
Daarin schuilt geen tekortkoming, maar juist iets waardevols.
Ze laten zich niet altijd vormen naar wat hoort. Ze behouden iets eigens, iets onbevangens. Soms worden ze daardoor niet begrepen. Soms worden ze vreemd genoemd, lastig gevonden of aan de kant gezet.
Maar misschien zijn het juist deze mensen die ons eraan herinneren dat mens-zijn nooit bedoeld was als een standaardmodel.
De pure mens is niet perfect en hoeft dat ook niet te zijn.
Hij is gewoon zichzelf.
En misschien is dat wel het meest bijzondere wat een mens kan blijven
Mijn vrijheid van denken en doen is diep verbonden met wie ik ben.
Ik wil niet leven volgens de verwachtingen van anderen, maar volgens wat mijn hart mij ingeeft.
Ook de mensen met wie ik omga zijn daarin belangrijk. Ik zoek geen mensen die mij bevestigen in alles wat ik denk, maar mensen bij wie ik mezelf kan zijn. Mensen die mij raken, uitdagen, laten nadenken en soms gewoon naast me kunnen zitten zonder iets te hoeven zeggen.
Want vrijheid is voor mij niet alleen kunnen gaan en staan waar ik wil.
Het is vooral de vrijheid om mezelf te blijven.
En misschien is dat wel het mooiste wat je een mens kunt geven:
de ruimte om zichzelf te zijn, zonder oordeel, zonder voorwaarden, zonder masker.
Verkoop nooit je ziel
Verkoop nooit je ziel.
Niet voor geld.
Niet voor succes.
Niet voor erkenning.
Niet voor een functie, een titel of een plek aan tafel.
Je kunt je tijd verkopen.
Je kunt je talent inzetten.
Je kunt samenwerken, compromissen sluiten en soms een stap terug doen.
Maar er is een grens.
De grens waar je jezelf moet verloochenen om erbij te horen.
Daar moet je stoppen.
Want zodra je voortdurend moet worden wie anderen van je verwachten, raak je langzaam kwijt wie je zelf bent. Eerst een klein stukje. Een mening die je inslikt. Een overtuiging waar je niet meer voor uitkomt. Een grens die je laat overschrijden.
En voor je het weet, is aanpassen je tweede natuur geworden.
Aan de buitenkant lijkt alles goed te gaan.
Je hebt misschien succes.
Je wordt gezien.
Je krijgt waardering.
Misschien zelfs applaus.
Maar ergens binnenin weet je dat je een prijs hebt betaald.
Je hebt jezelf verkocht.
En het vreemde is: niemand hoeft daarvoor letterlijk geld op tafel te leggen. Soms is erkenning al genoeg. De behoefte om erbij te horen. De angst om alleen te staan. De verleiding om mee te praten omdat iedereen dat doet.
Juist daarom is vrijheid zo belangrijk.
De vrijheid om nee te zeggen.
Om anders te denken.
Om weg te lopen wanneer iets niet meer bij je past.
Om niet mee te doen aan iets waar je geweten zich tegen verzet.
Want je kunt veel verliezen en toch jezelf behouden.
Maar als je jezelf verliest, wat blijft er dan eigenlijk nog over?
Ik geloof dat je uiteindelijk het meest waardevolle bezit niet in je portemonnee draagt, maar in jezelf.
Je overtuigingen.
Je nieuwsgierigheid.
Je eerlijkheid.
Je vermogen om geraakt te worden.
Je vrijheid om je eigen weg te kiezen.
Bescherm dat.
Laat niemand je wijsmaken dat je minder waard bent omdat je niet meedoet.
Laat geld je niet vertellen wie je moet zijn.
Laat succes je niet voorschrijven wat je moet voelen.
En laat applaus nooit belangrijker worden dan je eigen geweten.
Want op een dag is het applaus voorbij.
Het geld kan verdwijnen.
De functie eindigt.
De aandacht gaat naar iemand anders.
En dan blijf jij over.
Alleen met jezelf.
Zorg er daarom voor dat je jezelf dan nog kunt aankijken en kunt zeggen:
Ik heb misschien niet altijd gewonnen, maar ik heb mezelf nooit verkocht.
Dat is misschien wel de grootste vorm van rijkdom die een mens kan bezitten.
Verkoop nooit je ziel. Ze is het enige wat werkelijk van jou is.
.
